Rekenspellen

Kinderen leren graag door middel van spel. Een spel werkt motiverend en is uitermate geschikt voor het herhalen van basisstof. Hieronder vind je door mij bedachte spellen die gebruikt kunnen worden in de rekenles. Maak je er gebruik van of wil je ze delen, vermeld dan wel even www.lerenmetcorina.nl als bron.

6 op een rij

Voor het versterken van het getalbegrip in het getallengebied tot 100 heb ik een spel bedacht: 6 op een rij. Met dit spel oefenen kinderen welk getal meer/minder is en ordenen ze willekeurige getallen van 1 tot en met 99 van klein naar groot. Daarnaast wordt een beroep gedaan op strategisch denken doordat er steeds een keuze is tussen een nieuw getal trekken of een actiekaart trekken. Wanneer je een actiekaart trekt, pakt dat soms gunstig uit voor je zelf of kun je de tegenstander hinderen. Soms raak je daardoor echter juist een kaart kwijt die net gunstig lag. Dit onverwachte element houdt het spel interessant.

Het spel is geschikt voor twee tot vier spelers, ongeveer vanaf begin groep 4. Je vindt het spel hier.

Ik heb het spel bedacht op basis van het spel Game of Trains. Daarin gaat het om de getallen 1 tot en met 84. Toen ik dat met een leerling wilde spelen liepen we tegen een aantal problemen aan. De vormgeving van Game of Trains is zo mooi dat het kind veel moeite had met het wegleggen van bepaalde kaarten. Daarnaast is bij Game of Trains elke kaart zowel een actiekaart als een getalkaart. Dat houdt het spel compact, maar maakt het ook complex. Wanneer heeft een kaart welke betekenis?

Door te werken met een heel eenvoudige vormgeving en actiekaarten toe te voegen aan het spel is het geschikter voor gebruik binnen het onderwijs.

Rekentoren

De rekentoren is een spel dat je kunt gebruiken voor het oefenen van het hoofdrekenen. Sommen tot 20, tafels, of eenvoudige omrekeningen van maten en gewichten. Alle leerstof die door veel oefenen in moet slijpen.

De rekentoren is zo ontworpen dat kinderen met verschillen in rekenvaardigheid samen kunnen spelen zonder dat direct vooraf duidelijk is dat de sterkere rekenaar wint.

Het spel kan eenvoudig zelf gemaakt worden.

Nodig: het spel ‘Jenga’ of een goedkopere variant op dit vallende toren spel en eventueel een rekenmachine voor het controleren van de antwoorden.

Voorbereiding: Schrijf onderop elk blokje een som die geautomatiseerd moet worden. Zet onderop elk blokje ook één, twee of drie gekleurde stippen. Doe dit random, dus niet steeds veel stippen bij moeilijke sommen en weinig stippen bij makkelijke sommen. Juist als je dit random doet krijgen ook de zwakkere rekenaars kans om te winnen.

Spelen: Bouw de toren zo dat de sommen niet zichtbaar zijn. Elke laag wisselt de richting waarin de blokjes liggen. Om de beurt verwijderen de spelers één blokje uit de toren. Je mag niet van de bovenste laag pakken! Als je een blokje gepakt hebt, lees je de som die erop staat voor. Kun je de som oplossen en geef je het juiste antwoord (te controleren door de medespelers), dan mag je het blokje houden. Kun je de som niet oplossen of geef je een onjuist antwoord, dan plaats je het blokje bovenop de toren, net zoals bij het originele spel. Speel zo door totdat de toren valt.

Je kunt het spel moeilijker maken door een tijdslimiet af te spreken (als je het antwoord niet binnen X seconden weet, dan moet het blokje terug op de stapel).

Puntentelling: Tel nu alle stippen op de blokjes die je mocht houden. Degene door wie de toren viel, trekt 5 stippen van zijn/haar totaal af. Wie de meeste punten heeft wint het spel.

10 dobbelstenen

Het ‘spel met de 10 dobbelstenen’ is een spel wat je even kort kunt spelen. Je hebt 10 dobbelstenen nodig: één 20-zijdige dobbelsteen, drie 6-zijdige dobbelstenen (niet met stippen, maar met de cijfers 1-6), drie 8-zijdige dobbelstenen met de getallen 1-8 en drie 10-zijdige dobbelstenen met de getallen 0-9. Ook heb je fiches of pen en papier nodig om de puntentelling bij te houden.

Stop alle dobbelstenen in een beker. De eerste speler werpt alle dobbelstenen. De 20-zijdige dobbelsteen bepaalt het doelgetal. De andere dobbelstenen mogen gebruikt worden om het doelgetal te maken (afhankelijk van de leeftijd/groep/rekenvaardigheid kun je afspreken dat je alleen mag optellen en aftrekken of ook mag vermenigvuldigen en delen). Is het gelukt, dan bepaal je samen of de gemaakte som klopt. Je legt de gebruikte dobbelstenen aan de kant en de speler krijgt één punt. De ongebruikte dobbelstenen en de 20-zijdige dobbelsteen gaan terug in de beker en speler één werpt opnieuw. Net zolang tot de dobbelstenen op zijn of tot het niet lukt om het doelgetal te maken. Dan wisselt de beurt.

Voorbeelden: Als de 20-zijdige dobbelsteen op 14 ligt en je hebt een 6, een 9 en een 1 op tafel liggen, dan doe je 9+6-1=14. Je legt deze 3 dobbelstenen apart en krijg je één punt. Als je daarna 6 gooit met de 20-zijdige dobbelsteen en een van de andere dobbelstenen ligt ook op 6, dan verdien je met één dobbelsteen ook een punt. Nu liggen er al 4 dobbelstenen aan de kant. Als je vervolgens 19 als doelgetal hebt en de andere dobbelstenen liggen op 0,1,3,5 en 9, dan is je beurt voorbij.

Je kunt zelf afspreken hoe je omgaat met sommen die niet kloppen. Bij jonge kinderen kun je een herkansing geven, bij oudere kinderen is dan wellicht je beurt voorbij.

Met dit spel leren kinderen flexibel rekenen in het getallengebied tot 20.

Biggen met dobbelstenen

Het spel biggen is erg populair bij de kinderen uit groep 4/5 die ik begeleid. Maar thuis beschikt niet elk kind over de ‘biggen’ die nodig zijn om het spel te spelen. Daarom heb ik een variant met dobbelstenen bedacht. Helemaal mijn eigen idee is het niet, ik ben het online tegengekomen. Ik weet alleen echt niet meer waar. Dus weet jij wie de originele bedenker is, laat het me weten, dan geef ik de juiste credits. Omdat ik dus wel wist dat het kon, maar de bron niet meer kon vinden heb ik zelf nieuwe spelregels bedacht.

Bij biggen kun je punten verdienen afhankelijk van je worp. Die punten tel je op, maar pas op: als je een ‘modderbad’ gooit, dan ben je al je punten van die beurt kwijt en is je beurt voorbij. Na elke worp sta je dus voor de keuze: stoppen (en het aantal punten opschrijven voor je totaal aantal punten) of doorgaan (en het risico nemen dat je al je punten kwijt raakt). Als je stopt wisselt de beurt. Je gooit met twee dobbelstenen.

De puntenverdeling die ik hanteer is als volgt:

Zit er een één in je worp, dan heb je een modderbad en ben je al je punten kwijt.

Zit er een zes in je worp, maar geen één, dan heb je 5 punten.

Gooi je dubbel twee, drie of vier, dan heb je 10 punten.

Gooi je dubbel 5, dan krijg je 15 punten.

Gooi je dubbel 6, dan krijg je 20 punten.

Alle overige worpen leveren één punt op.

Wie als eerste 100 punten heeft, heeft gewonnen.

Een voorbeeld: Joost heeft al 18 punten gehaald in eerdere beurten. Nu gooit hij eerst dubbel 2 (10 punten), dan een 3 en een 5 (1 punt). Schrijft hij dit op, dan telt hij 11 punten bij de eerdere 18 punten op en is zijn beurt voorbij. Gaat hij door en gooit hij een één, dan blijft hij op 18 punten staan en is zijn beurt voorbij. Gaat hij door en gooit hij dubbel 6, dan mag hij weer kiezen: 31 punten opschrijven en stoppen of doorgaan en het risico nemen dat de 31 punten verloren gaan. De opgeschreven punten kun je dus niet meer kwijtraken.

Met het spelen van dit spel oefenen de kinderen niet alleen het optellen in het getallengebied tot 100, maar zijn ze ook op een intuïtieve manier bezig met kansberekening. Dat laatste maakt dat het spel, ook voor ervaren rekenaars, lang leuk blijft.

Nogmaals, spelen en delen is leuk. Wel graag een linkje naar www.lerenmetcorina.nl.